de/het-regels

Deze regels kloppen meestal — niet altijd. De uitzonderingen leer je vanzelf in de trainer.

de

mannelijke en vrouwelijke woorden

het

onzijdige woorden

personen/beroepen, rivieren/bergen, cijfers/letters, vruchten/groenten/planten/bomen, bloemen, dieren, jaargetijden, muziekinstrumenten
de bakker, de Rijn, de appel, de winter
landen/plaatsen, talen, stofnamen/metalen, sporten/spellen, windrichtingen
het Nederlands, het goud, het schaken, het noorden
beginnen met:
eindigen op:
tik op een voor- of achtervoegsel voor de woorden
woorden zonder herkenbare regel — die leer je alleen door te oefenen
de fiets, de tafel, de sleutel
woorden zonder herkenbare regel — die leer je alleen door te oefenen
het boek, het huis, het raam
elk meervoud krijgt de — ook van het-woorden. Net als verkleinwoorden in het meervoud.
de boeken, de huizen, de huisjes
elk verkleinwoord krijgt het — ook van de-woorden
het huisje, het boompje, het meisje
de- en het-woorden — sommige woorden mogen allebei
de matras / het matras, de deksel / het deksel

Lees ook de uitleg van de Van Dale Lidwoorden website.