De of het week?
Het is:
de week
“De week vloog om.”
Oefen dit woord
Meer woorden met deze regel:
jas
kabouter
oktober
grond
vleugel
juni
pet
hik
pasta
tong
vraag
sambal
’
week
’ in de woordenboeken van het IVDNT
Start de lidwoorden trainer!