De of het lamp?
Het is:
de lamp
“De lamp boven de tafel is kapot.”
Oefen dit woord
Meer woorden met deze regel:
trainer
juni
controle
onzin
stoel
soep
kam
april
mam
start
ballon
buurt
’
lamp
’ in de woordenboeken van het IVDNT
Start de lidwoorden trainer!